Stap voor stap
- Zoek een veilige plek. Kun je nog rijden, ga dan naar een parkeerplaats, vluchthaven of tankstation. Lukt dat niet, zet dan de alarmlichten aan en zet de auto in de berm.
- Dicht bij de vangrail. Is er een vangrail, zet de auto dan zo dicht mogelijk tegen de vangrail met de voorwielen ernaartoe gedraaid. Zorg dat iedereen aan de rechterkant kan uitstappen.
- Motor uit. Zet de motor uit. Bij een rood lampje rijd je niet verder, tenzij het nodig is om op een veiliger plek te komen.
- Trek een hesje aan. Heb je een veiligheidshesje, trek dat dan aan voordat je uitstapt.
- Ga achter de vangrail staan. Ga met alle inzittenden zo ver mogelijk de berm in of achter de vangrail staan. Blijf niet in de auto zitten en steek de snelweg nooit over.
- Een gevarendriehoek alleen als het veilig kan. Op een drukke weg is teruglopen naar achteren gevaarlijk. Doe het dan niet.
- Bel je pechhulp. Bel vanaf je veilige plek de Wegenwacht of je eigen pechhulp. Geef het wegnummer, de hectometerpaal en de kant van de weg (links of rechts) door.
Welk nummer bel je?
- 112 bij vuur, rook, letsel of een andere acute gevaarlijke situatie.
- Je eigen pechhulp bij een storing, bijvoorbeeld de ANWB Wegenwacht of de hulplijn van je verzekering of leasemaatschappij.
- 0800-8002 (Rijkswaterstaat, Landelijke Informatielijn) bij andere onveilige situaties op de weg.
Wat zeg je tegen de pechhulp?
- Welk lampje brandt er en welke kleur heeft het.
- Brandt of knippert het, en rijdt de auto nog normaal.
- Heb je rook of stoom gezien, of een brandlucht geroken.
- Waar je staat en of je veilig kunt wachten.
Weet je niet zeker welk lampje het is? Kijk in het overzicht van alle dashboardlampjes.